Nacht ouderwets vissen op het Markermeer
EEN NACHTJE JOTTEREN OP HET MARKERMEER
Hoewel Spakenburg in den lande nog altijd als een vissersdorp bekend staat, is dat in de praktijk allang niet meer het geval. De enkele visser die is overgebleven van de honderden vissers aan het begin van de vorige eeuw, is de bekende uitzondering op de regel. De snelle sanering die de visserij in de tweede helft van de twintigste eeuw heeft doorgemaakt, maakte dat oude visserijtechnieken in eenzelfde snel tempo zijn verdwenen. Er resteert slechts een handjevol oud-vissers die nog precies weten hoe het vissen met de zogenaamde jotterkuil, snoekbaarsnetten, ‘ziejenetten’ enzovoorts, met behulp van botters in zijn werk gaat. Lange tijd leek het erop dat met het uitsterven van het oude vissersgeslacht, deze visserijtechnieken in de nevel van de historie gingen verdwijnen.
Zeilvisserij
Gelukkig is hierin een kentering gekomen. Door een aantal fanatieke botterschippers uit met name Spakenburg, Hoorn en Volendam is de Vereniging de Zeilvisserij opgericht. Deze vereniging heeft tot doel om met houten vissersschepen de oude visserijtechnieken daadwerkelijk te behouden. Dat doet men door op momenten dat folkloristische evenementen worden georganiseerd zoals ‘Afslag Volendam’ en de Visserijdagen in Spakenburg, vergunningen aan te vragen om te mogen vissen. Zo was dit jaar namens de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een vergunning verleend voor tweemaal drie dagen namelijk van 23 tot en met 25 augustus en van 6 tot en met 8 september. In totaal kregen dertien schepen een vergunning. Van de schepen die in Spakenburg een ligplaats hebben zijn dat de BU 5, de BU 12, de BU 39, de BU 59, de BU 89 en BU 101.
Naast de vergunning om in het IJsselmeer te mogen vissen, waarvoor een vergoeding van € 45,37 moest worden betaald, werd een ontheffing van het Reglement Binnenvisserij verleend. Deze ontheffing is nodig omdat het rijk eigenaar is van het viswater en daarvoor moet een vergoeding worden betaald. Een van de voorwaarden die aan de ontheffing is verbonden, is dat een boete kan worden opgelegd bij overtreding van de voorwaarden verbonden aan de ontheffing of de Visserijwet 1963. Die boete bedraagt € 4.537,80 (fl 10.000,-) en deze moet binnen acht dagen na de aanzegging worden betaald.
Ter visvangst
Om van nabij mee te maken hoe het vissen in zijn werk gaat, voeren we in de nacht van 6 op 7 september mee met de BU 89. We wilden wel eens meemaken hoe de vissers vroeger bij nacht en ontij de Zuiderzee en later het IJsselmeer hun beroep uitoefenden. Aan het eind van de middag scheepten we in op de botter met het zo historische nummer. Het nummer BU 89 werd tot 1951 gevoerd door Peter Blokhuis Johz., bekend van het dagboek van een visser. Als een ode aan deze visser is dit schip, de voormalige H(arderwij)K 20, omgenummerd tot BU 89.
Om ongeveer half zes maakt de ‘maat’ van de BU 89, de BU 39 met Ruth Ruizendaal als schipper, aanstalten om te vertrekken en worden ook de touwen van de 89 losgegooid. De motor wordt gestart en al spoedig varen we de haven uit. Aan boord schipper Albert Vermeer, Ko Ruizendaal, Marie Hollenberg, Jaco Heinen en ondergetekende.
Vlak buiten de haven wacht de BU 39 en als de schepen naast elkaar varen, worden ze aan elkaar vastgemaakt. Daardoor hoeft er maar met een schip te worden gestuurd en kan op beide schepen worden begonnen met het klaarmaken van het viswant.
Ook de verlichting wordt in orde gemaakt. De lampen worden gevuld met olie en op de boeg van beide schepen wordt de ijzeren staaf geplaatst waaraan de lampen vastzitten. Naast een grote olielamp, zitten er ook kleinere groene en rode lichtjes op. Als je met een schip aan het vissen bent, is het gebruik om boven een groen licht te voeren en een rood licht onder. Maar er is wellicht nauwelijks nog iemand die dit weet.
Als we zo naast elkaar varen en het Vogeleiland naderen, spatten er steeds vaker een flinke hoeveelheden water over het schip. De 89, die het meest in de wind vaart, krijgt het meeste water over. Kort voor de Eem worden daarom de touwen losgemaakt en varen we weer op eigen kracht. Even later nadert de Stichtse Brug. Snel wordt nog even gecontroleerd of de klaptop het doet. Die klaptop is het boven stukje van de mast dat kan worden omgeklapt. Dat is nodig omdat het schip anders niet onder de brug door kan. Maar vlakbij de brug lijkt toch nog net of het niet gaat, terwijl er dan zeker een meter tussen zit.
Het weer
Het weerbericht voorspelde voor de komende nacht een aanwakkerende zuidwesten wind. Op het Eemmeer is het water niet echt onstuimig, maar zeker niet kalm. Kort voor het Vogeleiland is de zee altijd wat ruwer. Dat komt omdat het water hier de gelegenheid heeft om wat op te stuwen en golven te maken. Voor de Stichtse Brug is het bijvoorbeeld een stuk rustiger. De zuidwesten wind maakt dat het water wat wegwaait in de richting van de dijk Enkhuizen-Lelystad. De afstand tussen het water en de onderkant van de brug is nu 13.70 en aan de alg op het bord onder de brug te zien, is het vaker zo’n 13.20 meter. Er is dus zo’n halve meter water ‘weg’.
Direct na de brug wordt het water wat rustiger. Zo nu en dan breekt zelfs de zon door de loodgrijze wolken. De 140 pk motor van de BU 89 stuwt het schip rustig door het water in de richting van de Hollandse Brug. Ondertussen passeren we plaatsen als Huizen, Almere en Naarden. Bij de laatste zien we het verkeer over de Rijksweg A1 razen van mensen die thuis het weekend gaan houden. Deze keer staat er voor de verandering geen file, maar het is toch op geen enkele wijze te vergelijken met de situatie op het water waarop nauwelijks schepen varen. Slechts een enkel vrachtschip, een partyboot en natuurlijk wat zeiljachten komen we tegen.
Rond kwart over zeven varen we onder de Hollandse Brug door en ligt het water van het Markermeer voor ons. Daar is het gebied waar we gaan vissen maar dat is toch nog wel een uurtje varen. Nu lijkt het eerst helemaal windstil te worden en dat is een reden om de schepen maar weer aan elkaar vast te maken. Met z’n tweeën varen we zo in de richting van Amsterdam. We passeren het forteiland Pampus en ook voorbij Zuidelijk Flevoland. Het wordt tijd de net en de touwen verder klaar te leggen want zodra we de vaargeul naar Amsterdam zijn gepasseerd, kan met het vissen worden begonnen. De vaargeul is een drukke vaarroute naar Amsterdam waarover we diverse vrachtschepen zien varen. Rond kwart over acht zakt de zon aan de horizon naar de einder en kan het vissen beginnen.
Vissen
Het viswant bestaat uit een groot net, de zogenaamde kuil, dat in totaal zo’n dertig meter lang is. Aan het eind zit het aatje waarin de vangst zich moet ophopen. Dat aatje wordt met een touw goed dichtgebonden. Dat einde wordt gemarkeerd met een rijtje kurken die blijven drijven. Vanaf het schip kun je zo zien waar het eind van de kuil is. Aan de voorkant zitten twee ‘vleugels’. Aan elk van die vleugels is een stuk hout, het oorhout, bevestigd. Aan dat oorhout zitten de touwen, ook weer met een lengte van zo’n dertig meter waarmee het net aan beide schepen wordt vastgemaakt.
Nu het zo goed als donker is, wordt de kuil vanaf de BU 39 in het water neergelaten. Eerst het rijtje kurken en daarna het net. Zodra het net in het water ligt, worden de touwen vanaf beide schepen gevierd. Om ervoor te zorgen dat de kuil netjes recht tussen de twee schepen in komt te hangen, zijn de verschillende afstanden met kleurtjes op het net aangegeven. Over een van de touwen wordt met behulp van een soort katrolletje een gewicht neergelaten zodat het net naar beneden wordt gedrukt. We beginnen met een gewicht van 12,5 kilo. Dat is om te proberen want als er teveel gewicht aan wordt gehangen, dan gaat het net te diep over de gong en neem je veel schepen en rommel van de bodem mee. Maar het omgekeerde is ook het geval want als het gewicht niet zwaar genoeg is, hangt het te hoog en wordt er niet veel gevangen.
Zodra de kuil te water is gelaten, worden de schepen een stukje uit elkaar gevaren. Aan de voorste bolder van beide schepen wordt een ‘koptouw’ bevestigd. Dat is een touw met aan beide zijden een lus en een lengte van een meter of acht. Als dat bijna strak wordt gehouden, wordt voorkomen dat de schepen te ver uit elkaar varen.
Rond half negen is alles klaar en begint de eerste trek.
Het is nu rustig aan boord terwijl langzamerhand echt donker wordt. Achter ons weten we de hoofstad Amsterdam met honderdduizenden mensen die onwetend zijn van de nachtelijke activiteiten van een handjevol fanaten die bezig zijn met het uitoefenen van een oud ambacht. Voor ons knippert het eenzame licht van de vuurtoren op het paard van Marken en waar steeds op aan koersen. Een ander markeringspunt is het rode licht op de Hollandse Brug dat vanaf hier goed is te zien.
Achter ons vaart een groot zeilschip, een tjalk of zo, dat op ons aankoerst. Dat moet niet te dichtbij komen want dan kan het schip het net eraf varen. Gelukkig buigt het af en verdwijnt het in het donker. Verderop in de vaargeul varen nog wat andere zeilschepen. Veel is er niet van te zien en hun aanwezigheid verraden ze alleen door het licht op de top van de mast.
Wat is ‘jotteren’?
Hoe het vissen met de jotterkuil is ontstaan, wordt door Peter Dorleijn uitgebreid beschreven in het derde deel van de serie Van Gaand en Staand Want. Het is een uitgebreid verhaal dat hier slechts zeer beperkt wordt samengevat. Dorleijn beschrijft, op basis van mondelinge overleveringen, dat de jotterkuil is uitgevonden in 1860. Ene Jaap Hartog moest aas vangen voor de kubbenvisserij. Omdat het een keer wat moeilijk ging met de dwarskuil (een kuilnet dat dwars op het schip door het water werd getrokken), stelde hij een andere visser voor om samen de kuil te gaan trekken. Dat gebeurde en de vangst bleek heel goed te zijn. In de loop van de tijd is de manier van vissen en het net dat daarvoor werd gebruikt, steeds verbeterd. Met het woord ‘jotter’ wordt een bedoeld. Spakenburgers waren gewoon hun boot ’sjuut’ of ‘jotter’ te noemen. Op de een of andere manier is de dwarskuil zo omgevormd tot de ‘jotterkuul’ en het vissen daarmee noemde men wel ‘jotteren’.
Halen
Na een uurtje klinkt zonder nadere aankondiging vanaf de BU 39 ‘Gewichten inhalen.’ Dat doen we snel en aansluitend de touwen met het net. Dat zou zwaar werk moeten zijn, maar het gaat eigenlijk vrij makkelijk. Geen goed voorteken want dat houdt in dat er niet echt veel is gevangen. De spanning stijgt wat naarmate het einde van het net in zicht komt. Als het aatje boven water gehaald kan worden, blijkt dat er inderdaad niet veel is gevangen. De inhoud van het net is niet zo zwaar en kan gelijk in de bun worden geleegd. De vangst bestaat uit blei, een enkele snoekbaars en ook nog twee palingen. En verder natuurlijk veel jonge en kleine visjes dat als nest wordt betiteld.
Direct daarna wordt het net opnieuw uitgezet. Halverwege blijkt er een groot gat in de kuil te zitten. Ruth Ruizendaal vraagt om de boetnaald en met vaardige hand maakt hij de kuil weer dicht. Even later kan het net alsnog in het water worden neergelaten. Alleen bij de oorhouten wordt gewacht om wat zwaardere gewichten aan het net te doen. In totaal nu zo’n twintig kilo waardoor het net wat dieper komt te liggen en is de vangst hopelijk wat beter.
De nacht
Het is intussen mooi helder weer geworden. Voor de wind varen beide schepen langzaam vooruit. Ook al worden de schepen door de motor voortgestuwd, echt snel gaat het niet. Het net achter de schepen werkt eigenlijk als een rem en daardoor gaat het allemaal niet zo hard. Ondanks dat er geen maan is, is het niet echt donker. De wal is constant goed te zien en soms schijnen de lichten van auto’s langs de kust, ver over het water. Gezelschap is er ook van diverse vliegtuigen die boven het Markermeer nog even een rondje maken voordat ze kunnen gaan landen.
In het nachtelijk donker is de BU 39 goed te zien. Het is een silhouet van de stoere botter die onophoudelijk door het water klieft. Een prachtig gezicht dat zo’n vijftig tot zestig jaar geleden zo heel gewoon was op het IJsselmeer. Nu is het eigenlijk niet meer dan een stuk levende geschiedenis.
De botters deinen lekker heen en weer. Bij de BU 39 komt zo nu en dan de schroef even boven water uit en dat geeft een geluid als er een paard staat te snuiven.
Even na tienen zijn we Marken redelijk dicht genaderd en wordt er gekeerd. Nu wordt koers op een of ander licht dat daar regelmatig knippert. Het vissen is nu eigenlijk maar een eentonige bezigheid. Het is zaak om het schip op koers te houden, maar voor de rest is er niets te doen en nauwelijks iets te zien. Alleen een stuk of drie nachtzeilers zien we tussen tien en twaalf uur in de richting van Amsterdam zeilen. Wat daar nu precies de aardigheid van is, is moeilijk te doorgronden. Het zal wel een of andere reden hebben.
Gedurende het einde van de tweede trek zo tegen twaalf uur, begint de lucht weer te betrekken en lijkt het alsof de wind wat toeneemt. De golven worden in ieder geval langer. De schepen gaan flink op en neer met de golven en maken tegelijkertijd zowel voor- en achterwaartse als zijwaartse bewegingen.
Weer halen
Dan wordt het tijd het net weer in te halen. De touwen worden snel ingehaald maar dat gaat aan de kant van de BU 39 wel erg zwaar. Als de gewichten boven water komen, blijkt dat er een dikke staalkabel aan de gewichten is blijven haken. Een kabel met een lengte van wel een meter of tien en een dikte van 7 centimeter. Het kost flink wat moeite het stugge ding binnenboord te krijgen en tegelijk te zorgen dat het niet in het net verstrikt raakt. Gelukkig dat de kabel aan de gewichten is blijven steken en niet in het kuilnet terecht is gekomen. Dan was er waarschijnlijk weinig van het net overgebleven.
Nadat de kabel los is gemaakt, kan het net verder ingehaald worden. Als het net boven komt, blijkt dat de kettingen onder aan het net en ook de gewichten schoon zijn geschuurd. Dat is een bewijs dat het net nu wel over de grond is gesleept. Bij het boven komen van het aatje blijkt wel dat het aardig vol zit. Het is nu te zwaar om het in een keer in de bun te laten zakken. Met de suil (een groot schepnet) wordt een deel van de vangst in de bun gedaan waarna de rest er als laatste in wordt gelost.
Met de suil wordt daarna de vangst gesorteerd. Het meeste is nest en dat wordt uit de bun in een grote ketel geschept zodat het daarna weer overboord kan worden gezet. Dat is bijna een hele ketel van zo’n vijftig liter vol. Tussen het nest zitten soms flink grote snoekbaarzen maar die moeten ook weer overboord om niet in strijd met de reglementen op grond van de Visserijwet te komen. Tussen de vissen zitten dit keer ook een stuk of veertig rivierkreeften. Dat zijn beestjes van zo’n 12 centimeter lengte. Van oorsprong horen ze niet in het IJsselmeer thuis, maar tegenwoordig blijken er dus toch wel aardig wat te zitten. Meer in ieder geval dan de paling want meer dan een pond of vier-vijf blijft er niet over nadat de vangst is gesorteerd.
We zijn zo intensief met het sorteren bezig, dat we ondertussen bij vastlopen op fuiken vlak onder de dijk. Snel wordt de steven richting volle zee gewend en stomen we een eind op in de richting van Amsterdam. Het water buist inmiddels flink over de schepen heen en als je geen oliepak hebt, moet je wel even een goed plekje zoeken om droog te blijven. De heldere lucht is weer grijs geworden van de vele wolken en even lijkt erop alsof het ieder moment kan gaan regenen. Gelukkig blijft het droog want water hebben we zonder regen al wel genoeg.
Als we Amsterdam dicht zijn genaderd, keren we opnieuw en weer gaat het net in water. Dit keer worden de touwen iets verder gevierd zodat het net wat verder van de schepen af in het water komt te liggen. Zo is het steeds aftasten hoe de kuil het beste kan worden neergelaten.
Laatste trek
Tijdens de laatste trek, waarmee we rond kwart voor een beginnen, klaart de lucht weer geheel op en is de sterrenhemel duidelijk zichtbaar. Terwijl de schepen weer op het paard van Marken aan koersen, is er alle tijd om wat sterrenbeelden op te zoeken. Zo langzamerhand word je toch wat koud. Er zijn wel middeltjes om warm te blijven, maar daar word je weer lui van dus dat ook niet direct een oplossing. Het zoeken van sterrenbeelden is dan een goed tijdverdrijf. De grote en de kleine beer zijn altijd gemakkelijk te vinden. Tenminste, als je weet waar je moet. Ergens in het noorden natuurlijk, maar waar is dat precies. Ergens boven Marken, maar daar zijn ze niet te vinden. Je moet juist wat oostelijker kijken om ze te zien. En dan is het aan de hand van de sterrenbeelden niet moeilijk om de positie van de Poolster te vinden daarmee ook het noorden te bepalen.
Boven de Flevopolder schijnt boven de plaats waar Lelystad moet liggen, een grote lichtgloed. Ook boven Almere en Amsterdam zijn die zichtbaar en dat maakt dat het gewoon niet echt donker is. Alleen in de ruimte tussen Marken en Lelystad is het echt donker.
Zo tegen half drie wordt weer tijd om te halen. Als het aatje dichterbij komt, dan blijkt dat we deze keer een goeie trek hebben gedaan. Jammer springt er ineens een gat in het aatje als het boven komt waardoor een flink deel van de vangst gelijk weer in het water verdwijnt. Snel wordt dan het hele net binnenboord getrokken. Opnieuw hebben we veel nest, wat baarzen en snoekbaarzen, maar palingen maar een stuk of wat. In totaal is de vangst niet meer dan een pond of zes – zeven paling.
Waar is de paling gebleven?
Als je zo’n hele nacht aan het vissen bent en de vangst is maar zo klein, dan rijst vanzelf de vraag waar de paling is gebleven. September is op zich geen slechte maand voor de palingvangst dus dat kan het niet zijn. Ook de andere spannen hebben niet echt veel paling gevangen. Nu is de paling al een paar jaar geleden terecht gekomen op de rode lijst van bedreigde diersoorten. De afgelopen jaren is de intrek van jonge glasaaltjes, jonge palingen dus, enorm laag geweest. Bovendien is al sinds 1980 in Europa het aantal binnentrekkende glasalen enorm gedaald. In de jaren zestig en zeventig trokken meer dan 20 miljard glasalen Europa binnen. Nu zijn dat er niet meer dan twee miljard. Nog steeds een gigantisch aantal maar daarvan wordt in Zuid-Europa al zo’n 80% opgevist voor directe consumptie. Daarnaast worden nog enorme aantallen gevangen voor de palingkwekerijen. En elke glasaal die wordt weggevangen, wordt in ieder geval geen IJsselmeerpaling en keert ook nooit terug naar de Sargassozee waar de paling zich volgens de geldende opvattingen voortplant. Kortom, zolang de vangst van glasaal niet aan banden wordt gelegd, verdwijnt de paling niet van de rode lijst van bedreigde diersoorten.
Terug
Tegen drie is het net leeg en is het te laat geworden om het net te repareren en dan nog een trekje te doen. We koersen aan op het rode licht boven de Hollandse brug. Onderweg wordt aan boord van de BU 39 het net gespoeld en daarna gaat het rechtstreeks in de richting van de haven van Spakenburg. Dat is snel gezegd, maar het betekent gewoon dat we drie uur onafgebroken door de duisternis varen. Om beurten doen we in het vooronder even een tukje. Van echt slapen is geen sprake. Maar je kunt weinig anders. Nu het donker is, is er weinig te zien. Het enige dat opvalt is een laserstraal. Die komt ergens bij Huizen vandaan en is te zien vanaf de Hollandse Burg tot voorbij de Stichtse Brug. Maar de mensen aan land hebben er natuurlijk geen weet van hoe ver hun licht schijnt.
De BU 39 heeft haast en met een flinke gang verdwijnt het schip in de duisternis. Als we het eiland Pampus en later de Hollandse Brug zijn gepasseerd, zien we in de verte nog een paar botters. Die varen onder vol zeil net zoals de vissers dat vroeger deden. En omdat er nogal wat wind staat, gaan ze niet zoveel langzamer dan met de motor aan. Ondanks het feit dat ze moeten laveren en dus regelmatig overstag moeten gaan, halen we ze pas bij de Stichtse Brug in. Het zijn de BU 12 met Jan Hop en de BU 59 van Henk van Halteren.
Voorbij de Stichtse Brug is het nog een klein half uurtje naar de haven van Spakenburg. Kort voor we de haven binnenvaren, begint de nieuwe dag in het oosten al te dagen. We stomen de haven in meren rond de klok van zes uur af aan de kade langs de Havenstraat.
Aan een lange nacht is een einde gekomen en we zijn een ervaring rijker. We hebben kunnen ervaren hoe de vissers vroeger bij nacht en ontij, met warm en koud weer hun beroep moesten uitoefenen. Vaak slechts met twee man aan boord en dan kan een nacht lang duren. Als je dan wat vangt is dat niet erg want als je van de visvangst moet leven, is het daar toch om begonnen. Maar als je dan een hele nacht met twee botters in de weer bent en je vangt de man drie pond paling, dan had je beter thuis kunnen blijven. Maar dat weet je van te voren nooit en zo moet het voor de vissers vroeger net als voor ons altijd weer spannend zijn geweest wat er in de netten zit. Soms viel het mee en soms viel het tegen. Dat was het leven van de visserman. En altijd zijn ze weer blij en dankbaar geweest als ze in de haven kwamen. Beseffend dat na het aanleggen er een nieuw moment komt waarop ze weer uitvaren. Zo staat het op het deurtje naar het vooronder van de BU 89:
Dat we nog lang mogen varen,
Met fok en zeil, kluiver en bras,
En ons oog nog vaak mag staren,
Naar de vleugel en ‘t kompas.
Dat we nimmer mogen stranden,
Behouden vaart bij eb en vloed,
Breng ons door Uw Vaderhanden,
In Uw haven, dan is ‘t goed.
Gepubliceerd in ‘de Bunschoter’ augustus 2002
Auteur: Arie ter Beek